| Gevelstenen: Trekschuit, Pijlsteeg, Leeuwarden |
| Wednesday, 17 May 2006 00:00 | ||||
|
Dit is een foto van de Dokkumer Trekschuit. De steen komt uit de Dokkumer Stal aan de Eebuurt, die in 1646/1647 werd gebouwd i.v.m. de aanleg van het jaagpad naar Dokkum. In 1892 werd de steen verworven door het Fries museum en in 1929 hier ingemetseld. ![]() Op een trekschuit, die van Amsterdam naar Gouda voer, had de schipper het volgende rijm laten aanbrengen. Ook hier citeer ik Van Lennep: "Klaas Joosten van der Marken Is schipper van dees schuit, Om met Gods zegen te varen, daar zijn wij over uit; ‘k Wensch maar na goede vracht, om eerlijk van te leven Wij varen altijd voort of’t droog is ofte diep; De jager slaat maar deur;-de wint zit in de zwiep. De wind in de zweep! Wie beklaagt zo’n arm jaagpaard niet?" www.hermansouer.nl Met de trekschuit komen Een gezegde dat men vroeger direct begreep, maar de huidige generatie zegt het woord trekschuit niet zoveel. Volgens de “Dikke Van Dale”: schuit die door de binnenwateren aan een lijn wordt voortgetrokken, voorheen een veel gebruikt publiek vervoermiddel. Met de trekschuit komen betekent: achteraan komen, lang na de anderen komen. De eerste trekschuit tussen Haarlem en Amsterdam deed dienst in de speciaal hiervoor gegraven Haarlemmer Trekvaart. Het jaar was 1632, spoedig volgde een trekvaart tussen Haarlem en Leiden. Niet lang daarna was er een heel netwerk tussen de belangrijke steden in Holland en de noordelijke provincies kregen ook een netwerk van trekvaarten. Vanaf 1765 vertrokken er elk uur trekschuiten vanuit Haarlem en Amsterdam. Er kwamen ook nachtschuiten tussen Amsterdam en Rotterdam, men kon dan ook slapen op de schuit. Er waren natuurlijk klasseverschillen. De eerste klassers konden onder het genot van een beschikbaargesteld pijpje en tabak gezellig keuvelen (schuytepraetjes) in de roef op gemakkelijke kussens. De tweedeklassers moesten met z’n dertigen genoegen nemen met een open ruimte, wat beschermd tegen de wind door leren flappen. Om het de persoon of het paard dat de schuit moest trekken makkelijker te maken werden de trekvaarten zo recht mogelijk gemaakt. In de bochten waren rolpalen geplaatst, waar de scheepsjager het touw langs kon rollen of trekken, het bovenste deel kon draaien. Drie palen stonden er in de scherpe bochten zodat de boot niet naar de kant werd getrokken, maar keurig in de vaargeul bleef. De schuiten hadden wereldwijde faam, veel buitenlanders beschrijven in hun reisverslagen, dat de trekschuiten goed aansluitende verbindingen hadden en dus op de vastgestelde tijden vertrokken en aankwamen. Met een topsnelheid van 5 km per uur is het nooit een snelle verbinding geweest. Sommige schuiten konden echter sneller dan anderen. De snelle schuiten hadden ook langere masten, zodat ze langs de langzamere schuiten getrokken konden worden. Het pad waar het trekpaard of scheepsjager op liep werd jaagpad genoemd. Er was een verbod op het plaatsen van objecten (vooral bomen) aan het jaagpad om het de jager zo makkelijk mogelijk te maken. Veel jaagpaden worden nu als wandel- en fietspaden gebruikt. De trekvaarten hebben er toe bijgedragen dat de zeventiende eeuw een ‘Gouden Eeuw’ werd. De distributie van de koopwaren ging veelal met trekschuiten. In de achtiende eeuw was de trekschuit ook nog het populairste vervoermiddel. De komst van de trein heeft de trekschuit de nek omgedraaid. Men heeft nog geprobeerd om koning Willem er van te overtuigen dat er geen spoorlijn moest komen. Het mocht niet baten, in 1883 voer de laatste schuit tussen Amsterdam en Haarlem, de meesten waren al in 1860 gestopt. In de noordelijke provincies hield men het tot het begin van 1900 vol. Een enkele schuit bleef nog in de vaart. Begin vijftiger jaren van de vorige eeuw voer er in de zomermaanden nog een schuit tussen Delft en Drievliet, waar dagjesmensen (brood mee!) dankbaar gebruik van maakten. Boeken over de trekschuit: Naeuw-keurig Reys-boek, Jan ten Hoorn, Amsterdam 1679, Universiteitsbibliotheek Amsterdam afd. Zeldzame en Kostbare werken en in de Koninklijke Bibliotheek Lucas Reijnders, Reislust, Amsterdam 2000 Theo de Haas, De Tijd van trein en trekschuit, Amsterdam 1980, John Sillevis, Door Holland met de Trekschuit. Een tocht langs Hollandse steden en dorpen met de 18de eeuwse kunstenaarsfamilie La Fargue, Utrecht/Alphen a/d Rijn 1976 Hildebrand, Camera Obscura, 1839, hoofdstuk "Varen en rijden" De Zomer van 1823. Lopen met Van Lennep. Dagboek van zijn voetreis door Nederland. Verzorgd door Geert Mak en Marita Mathijsen, Zwolle 2000
|
||||






